In de tuin vind je deze soort langs de oever van het vijvertje met het vele Knikkend nagelkruid. Nu is er helaas niets meer van te zien. Het is mijn meest favoriete soort en dat komt door de architectonische gelijkheid. Hij staat fier overeind en is prachtig in evenwicht. Een andere reden is dat deze rode lijst soort het zo goed doet in mijn eigen postzegeltuintje. (foto 1)
Het is een inheemse geofyt (overleeft ongunstige periode onder de grond d.m.v. een reserveorgaan zoals knol, bol of wortelstok) die te boek staat als (zeer) zeldzaam. Dit hangt trouwens wel af van waar je in ons land woont. In Zuid-Limburg en het Groene woud (driehoek Tilburg-Eindhoven-Den Bosch) vind je hem het meest. Het is in ons land het enige lid van de Eenbesfamilie (Melanthiaceae).
Wereldwijd zijn er volgens “Plants of the World” maar honderdvierentachtig soorten verdeeld over veertien geslachten en slechts vier daarvan vind je in Europa. De meeste vertegenwoordigers binnen deze familie vind je in de Verenigde Staten, Midden Amerika en Oost-Azië.
Uit de wortelstok groeit een rechtopstaande, onvertakte stengel waaraan zich halverwege vier kransstandige, eironde, perfect geplaatste, zittende bladeren ontwikkelen. Ook de nervatuur daarvan valt op door de convergerende lijnen met netvormig verlopende aderen. (foto 2) Dan volgt er een kaal stukje stengel met aan het eind de prachtige, alleenstaande, groenachtige, 2-slachtige en 4-tallige bloem. Het bloemdek is uitgespreid met meestal acht ongelijke blaadjes. De buitenste vier zijn lancetvormig groen, de binnenste lijnvormig geelgroen.
De, meestal, acht meeldraden zijn geheel aan de voet van het bloemdek ingeplant. Zij hebben verbrede helmdraden en oranje/gele helmknopjes, die lang genaald zijn. (foto 3) Het vruchtbeginsel draagt vier (soms vijf) draadvormige, aan de voet vergroeide, kromme stijlen.
De vrucht is een zwarte, bolronde, vier(soms vijf)-hokkige bes met in ieder hokje twee bijna bolronde, bruine zaden. Deze bes is zeer giftig door de aanwezige saponinen die als afweerstof dienen tegen vraatlustige insecten. Die stof werd vroeger ook wel ingezet als middel tegen kinkhoest, krankzinnigheid en stuipen. Het middel bleek vaak erger dan de kwaal vandaar de toepasselijke bijnamen als pestbes of doolwortel. (foto 4) De (voor de bloei) verzamelde bladeren leverden een paarse verfstof.
Over het aantrekken van insecten zijn de botanici het niet eens. Zo is op de NDFF pagina te lezen dat ze een aasgeur verspreiden die vliegen aantrekt, waardoor bestuiving plaatsvind. Echter op de pagina van waarnemingen.nl lees ik dat de bloem geen geur heeft en geen nectar. Ook valt zij weinig op, maar aasvliegen worden door het soms glanzende, maar meestal doffe, donkerpurper-kleurige vruchtbeginsel en de ook zo gekleurde stempels, die hen de aanwezigheid van rottend vlees voorspiegelen, gelokt. Zij vliegen op de stempels aan en zorgen zo voor kruisbestuiving.
De stijve meeldraden staan dan nog straalvormig uit, maar later buigen zij zich naar het midden, over de stamper en nu vliegt, bij stoten, het stuifmeel in wolkjes uit de knopjes en komt op de stempels, die nog steeds geschikt zijn om het op te nemen, zodat er nu spontane zelfbestuiving plaats vindt. Meestal is de bloem daarop geheel aangewezen. De gevormde zwarte vruchten worden ook gegeten en de onverteerde, rode zaden worden uitgescheiden. Om achter de waarheid te komen, moet ik in het nieuwe jaar mijn neus maar eens in mijn lievelingsplant steken.