De Standaard 17 oktober 2015, artikel door Cathérine De Kock
 

Expo ‘Post mortem’ brengt kunst in de autopsiezaal
De wrede schoonheid van het lijk
 
Een doodgeboren puppy, een vrouwenhoofd op sterk water en een bronzen beeld van een gevilde man: ‘Post mortem’ zoekt de grenzen op van wat een sterke maag aan kan. Kunstenaars én wetenschappers onderzoeken in deze gruwelijk mooie tentoonstelling onze fascinatie voor het dode lichaam.
 
 
Het is zoals verwacht killig in de autopsiezaal van het Rommelaere Instituut in Gent. Aan de muren hangen foto’s van een kat en een zwaan met rigor mortis. Op de autopsietafel staat een werk met het skelet van een kraai. In de koelkast waar de lijken worden bewaard, staat videokunst te spelen.
Ruim een halfjaar geleden werden exact op deze plek nog écht autopsieën uitgevoerd. Voor de afdeling forensische geneeskunde van de Gentse universiteit naar het UZ Gent verhuisde, had ze immers hier een onderkomen. Sinds gisteren brengt de tentoonstelling Post mortem wetenschap en hedendaagse kunst samen rond het dode lichaam.
En dat is best moedig, want de doden worden in onze samenleving zorgvuldig afgeschermd van de levenden. De tijd dat de doden dagenlang opgebaard werden in eigen huis, is voorbij. Een lijk gaat zo snel mogelijk de koelkast in bij de begrafenisondernemer, de dood wordt netjes weggestopt. Post mortem toont het dode lichaam als studieobject voor baanbrekende anatomen als de zestiende-eeuwse wetenschapper Andreas Vesalius, maar ook als bron van kunst.
 
Chocolade hart
Zo’n 25 kunstenaars maakten speciaal voor Post mortem nieuw werk, geïnspireerd door de bijzondere locatie. Zo maakte de kunstenaar Andrew Carnie anatomische modellen van een hart in Belgische chocolade, nadat hij ter voorbereiding van de expo een dissectie van een zelfmoordenaar had bijgewoond. De man had zijn lichaam aan de wetenschap gegeven, met zijn chocolade hart wil Carnie hem daarvoor bedanken.
De dood kan zoet zijn. En zacht: de doodgeboren puppy die de Nederlander Martin uit den Bogaard onder glas plaatste, lijkt te ademen. Jan Fabre toont een schedel met een ei, symbool van een nieuw begin. Een portret van Dino Valls toont een jonge, blozende knaap, die net niet buiten beeld een gedissecteerde vinger aanraakt. Wie goed kijkt, ziet uit de mond van de jongen een fijn geschilderd wolkje adem komen – zijn laatste.
Gruwel en schoonheid spelen voortdurend haasje-over op deze tentoonstelling. Gretig kijken en wegkijken doe je ook bij het bronzen beeld van de Britse Eleonor Crook. Een gevilde man staat op zijn eigen huid en kijkt naar zijn eigen gezicht. Crook baseerde het werk op forensische foto’s van een gevild slachtoffer van een Mexicaans drugskartel.
De verhakkelde marmeren koppen van de Iraans-Italiaanse kunstenaar Athar Jaber doen aan Francis Bacon denken. Eén hoofd heeft hij zo hard gezandstraald dat het gezicht onherkenbaar werd. Van een ander beeld hakte hij het gezicht weg – net zoals gezichten op oude forensische prenten gecensureerd worden. Zijn beelden verwijzen tegelijk naar de verminkte antieke beelden, die we als mooi ervaren, terwijl ze vaak het resultaat van oorlog en agressie met zich mee dragen.
 
Levendig lijk
Post mortem roept echo’s op van Het wonderkabinet, dat vorig jaar plaatsvond in Het Pand in Gent. Dat is geen toeval: ook nu komen heel wat wetenschappelijke rariteiten uit de erfgoedcollecties van de Gentse universiteit. Onoverwinnelijk en tegelijk fragiel lijkt de mummie zonder armen en benen, die natuurlijk gemummificeerd werd in een grafkelder. Een verroeste schroef in zijn schedel herinnert eraan dat de mummie al eerder werd tentoongesteld.
Onvermijdelijk roept Post mortem dan ook de vraag op hoe ver je kunt gaan in het tonen van dode mensen en hoe je moet omgaan met een lichaam dat niet van jou is. Wanneer wordt een lijk een kermisattractie? In de authentieke negentiende-eeuwse autopsiezaal staat een indrukwekkend preparaat van de negentiende-eeuwse Gentse anatoom Adolphe Burggraeve: het hoofd van een vrouw in een bokaal met haar hand erbij.
De vrouw lijkt te slapen, een stuk gevouwen textiel ondersteunt haar hoofd. Negentiende-eeuwse anatomen wilden dode lichamen zo ‘levendig’ mogelijk voorstellen en gebruikten stof om de sneden van de dissectie te verbergen. In die tijd was het ook gebruikelijk om een hand toe te voegen aan het preparaat, als symbool voor de kunde van de anatoom.
 
Triomf over de dood
Zoals veel anatomen van zijn tijd stelde Burggraeve het vrouwenhoofd samen met zijn andere menselijke preparaten tentoon in een kabinet dat toegankelijk was voor het publiek. Lichamen werden immers ook ontleed om de pracht van Gods schepping te tonen. Tijdens de Gentse Feesten was ‘Vrouw met hals en hand’ een grote publiekstrekker in het Anatomisch Museum. Bezoekers zagen in de geconserveerde lichaamsdelen een triomf over de dood.
Net als een negentiende-eeuwse anatoom wil ook Berlinde De Bruyckere lijden en dood omzwachtelen. In de bibliotheek, tussen criminologische naslagwerken en anatomieboeken, legde ze een dood veulen, met de pootjes samengebonden zoals het lammetje van het Agnus Dei van de zeventiende-eeuwse schilder Francisco de Zurbarán. De ogen van het veulen zijn bedekt, om het aandoenlijke tafereel te verzachten.
Door haar uitgebalanceerde enscenering en de passende locatie voelt deze tentoonstelling op geen enkel moment gratuit of sensatiebelust aan. Er is zelfs plaats voor (donkere) humor. ‘Death poo’ van Deborah Czeresko is een goudkleurige glazen sculptuur die vat wat er gebeurt als de spieren van de anus na de dood ontspannen.
De tentoonstelling toont ons lichaam op zijn kwetsbaarst, onttoverd en ontleed, maar weet tegelijk ontzag voor ons vergankelijke vlees op te roepen. Het dode lichaam is er terecht wonder en wonde.
‘Post mortem. Vesalius tussen kunst en wetenschap’: tot 20/12 in het Rommelaere Instituut, Kluyskensstraat 29, Gent. In het KASK in Gent loopt ook een expo met anatomische prenten.
 
 
Berlinde De Bruyckere "To Francisco de Zurbaran", 2015 (Foto Mirjam De Vriendt)
 

Afgietsel van de bloedvaten van een paardenhoofd, collecie Morfologie 2012
(Foto Bart De Pauw, UGent)
 


Johan Jacobs maakte voor "Ego" foto's van van danser Dirk Hendrickx in de autopsiezaal
 
 
'Spierman' van Jan Delvin, tekening uit 1874 (Foto tekenarchief KASK)