|
|
|
E-Tijdschrift Traditie
Identiteit - Erfgoed - Beleving
Nr 3 - Louwmaand 2010
|
|
|
WINTERBERICHT VAN DE VOORZITTER
Traditianen,
Vorige maand overleed Fred Rossaert, auteur-componist van verschillende mooie Heidense liederen – en tevens mijn schoonvader. Het bekendste – en in mijn ogen het mooist joellied is “Wendenachten”. We zingen dit lied ieder jaar bij het ritueel rond de joelluchter. In een toekomstige nieuwsbrief, tegen de joeltijd aan, zal ik dit fraaie eenvoudige ritueel eens praktisch beschrijven.
En daarmee blikken we in de toekomst. Het wordt een reuze goed Traditiejaar. Hoe weet ik dat? Ik heb mijn runen geraadpleegd natuurlijk. Hmm, klopt dat wel? Deden onze Germaanse voorouders wel voorspellingen met runen? En hoe deden ze dat? Deden ze aan runenyoga? Och toe nou: geloof toch nooit zomaar van wat ik uitkraam – dat doe ik zelf ook niet. Kom maar liever naar onze vormingsavond in Lier. Daar komt een echte runenexpert het haarfijn uit de doeken doen.
Maar toch wordt het zeker een reuze goed Traditiejaar. Want Stefaan is reuzenland ingedoken en schrijft voor ons zijn reiservaring neer in een spannend vervolgverhaal. Daar wil je geen aflevering van missen. Vergeet dus zeker niet je lidgeld voor 2010 te betalen, dan kan dit Traditiejaar niet meer stuk.
Ajuus,
Herman
Alle wegen leiden naar Walhalla -door Herman Van Hove
Maar mijn wegen leiden ’s zondagsmorgens naar de bakker om pistolets te kopen. Het oeuvre van onze bakker; ’t zijn doordeweekse broden: onze bakker is er een van twaalf in een dozijn. Eén zaak vind ik bij hem wél schitterend: onze madam-van-de-bakker. “Lap, ’t kan niet missen: de vrouwenzot!”, hoor ik je denken. Je vergist je. De dame die bij de bakker bedient is geen fotomodel. Ze heeft niet gestudeerd. Ze lijkt een doodgewone winkelierster. Maar ze is volmaakt. Ze begroet de klanten op de juiste toon: vriendelijk maar niet kruiperig. Ze stelt een volkorenbrood voor als het meergranenbrood op is. Ze vraagt of je een zakje wil. Soms een klein praatje over het weer; nooit geroddel. Ze bedankt netjes, zonder overdrijven, als je de winkel verlaat. Zo’n volkomen uitstraling van evenwicht. De voorbije twee jaar heeft ze een jong meisje-van-de-bakker opgeleid. In het begin was de jongedame onzeker: allerlei foutjes, die de madam onopvallend maar efficiënt bijstuurde. Stilaan lijkt het meisje meer en meer op haar mentor. Ze leidt sinds kort zelf een nieuwe kracht op, wat haar zelfvertrouwen versterkt. Weet je, ik wou dat ik - in mijn vak - even goed was als zij in het hare.

Over mijn werk gesproken: daar hebben we een heel leuke nieuwigheid. We mogen tussen de middag gaan fitnessen en zo van die toestanden. Let op, ik ga me outen: donderdagmiddag volg ik met enkele collega’s yogales. Hard labeur, die yoga, zeker voor zo’n stijve ouwe plank. Ik vrees dat de andere collega’s in de aanpalende fitnessruimte in de waan leven dat ik de beste yogi van de klas ben. Onze goeroe zegt voortdurend: “goed zo, Herman, mooie houding, prachtig”. Maar als je mij ziet klungelen, dan stel je vast dat de meester de aanmoedigingskreten vooral gebruikt voor wie ze het dringendst nodig heeft. Het vreselijkst vind ik de evenwichtsoefeningen. Zo op een poot staan, en dan nog wat kuren uithalen met de armen. Ik ben al wreed content als ik pas in de tweede helft van zo’n oefening omver tuimel. Ik probeer me altijd op de achterste rij te verstoppen om niet al te erg in affronten te vallen. Hindoes beschouwen hatha yoga als één van de vele wegen naar Verlossing. ’t Is toch wel overduidelijk niet mijn weg.

Erg is dat niet. Die yoga op het werk heeft gunstige neveneffecten: ik ontdek een hoop boeiende literatuur. In een boekje van Swami Vivekananda over Raja Yoga stootte ik op dit verhaaltje:
De wijze Narada ontmoet een yogi die zolang had zitten mediteren dat de mieren een nest rond hem hadden gebouwd.
De yogi vroeg: “Narada, hoe lang zal het nog duren voor ik mijn verlossing bereik?”
Narada sprak: “Over vier mensenlevens bereik jij je verlossing.”
De yogi begon te jammeren: “Twintig jaar zit ik hier al te mediteren; en dan nog vier mensenlevens !!!”
Even verder ontmoet de wijze Narada een halve gare die staat te huppelen en te dansen.
De danser vroeg: “Narada, hoe lang zal het nog duren voor ik mijn verlossing bereik?”
Narada sprak: “Zie je die boom: zoveel blaadjes als er aan die boom hangen; zoveel mensenlevens zal het nog duren voor jij je verlossing bereikt.”
“Hoera”, riep de danser: “mijn verlossing is nabij!!!” En hij maakte een vrolijke vreugdedans.
Toen klonk er een stem uit de hemel: “Mijn kind, nog deze minuut bereik jij je verlossing”.
Zo zie je maar: geduld is een schone deugd. ’t Is niet noodzakelijk om een eeuwigheid op één poot te staan mediteren. Je hoeft geen honderdduizend geleerde boeken te lezen. Dansend en musicerend door het leven gaan is ook een weg naar volmaaktheid. Of . . . je kan bij onze madam-van-de-bakker in de leer gaan. Welke weg je bewandelt is niet belangrijk. Kies jouw weg; de weg die de Nornen voor jou voorbestemd hebben en volgen, volgen, volgen, volhouden en blijven volgen tot Walhalla.
Vijfhonderd En veertig deuren weet ik, dat Walhal heeft, Achthonderd Einheri’s Gaan door iedere deur Om de strijd met de wolf te bestaan. Grimnismal 24
Bronnen:
Swami Vivekananda, Raja yoga, Uitgeverij Ankh-Hermes bv – Deventer, vijfde druk, 1975, ISBN 90 202 4012 9
Edda, Goden- en heldenliederen uit de Germaanse oudheid, Vertaald en van inleidingen voorzien door dr Jan de Vries, Uitgeverij Ankh-Hermes bv – Deventer, 1980
VORMINGSTEKSTEN
Welkom in Jotunheimr, verdoemde gast! - door Stefaan Van den Eynde Artikelenreeks over de woonplaats van de Germaanse reuzen en hun rol in de mythen en sagen.
De ommegangsreuzen van Vlaanderen, Wallonië en Frankrijk behoren sedert eind 2005 tot het werelderfgoed van UNESCO. Hoewel de meeste reuzenfiguren in Vlaanderen dateren van na 1830, behoort de reus op zich al veel langer tot het patrimonium van het volksgeloof en komt hij zowel voor in de oudere Germaanse mythen als in jongere sagen en legenden. In dit artikel richten we ons specifiek op Noord-Germaanse bronnen (omdat ze het oudst en het veelvuldigst zijn) en gaan we meer bepaald op zoek naar de achtergronden van het beruchte geslacht der jotnarr.
 Jotunn (meervoud: jotnarr) is de Oudnoorse benaming voor reus. Volgens de Noord-Germaanse mythencycli verblijven de jotnarr in Jotunheimr: ‘reuzenheem’. Dit heem wordt volgens een aantal bronnen ‘ergens’ in het Oosten gesitueerd. In de Poëtische Edda zou het zich bijvoorbeeld ten oosten van Midgard bevinden waar de mensen wonen; hiervan gescheiden door meerdere rivieren en een ‘ijzeren woud’. Laten we de Edda-passages die betrekking hebben op Jotunheimr weergeven en aan een nader onderzoek onderwerpen. Omdat de twee standaardvertalingen naar het Nederlands – die van J. de Vries en M. Otten – op sommige punten van mekaar afwijken, geven we beiden weer; aangevuld met de Oudnoorse brontekst en voorzien van noodzakelijk commentaar . Een eerste vermelding vinden we in strofe 8 van Voluspá, wat kan worden vertaald als ‘Visioen van de Zieneres’: “Zij speelden verheugd het heilige kansspel, de goden bezaten in overvloed goud, tot drie geweldige dochters van reuzen, vrouwen uit Jotunheim, de vrede verstoorden.” (de Vries) “In de wei speelden zij schaak, ze waren zonnig, met louter goud zagen zij zich omringd; tot drie vrouwen kwamen, dochters van trollen, drie oppermachtigen, afkomstig uit Reuzenrijk.” (Otten) “Teflðo itvni teitir voro var þeim vettergis vant or gulli vnz III qvomo þursa meyiar amatkar mioc or iotvn heimom.” (Codex Regius) In deze passage wordt gewag gemaakt van goden die zich in vredige toestand bezighouden met een kansspel. In strofe 7 lezen we dat ze zich op een vlakte bevinden die Iðavollr wordt genoemd en die zich in de nabijheid van Asgard bevindt. Dit blijkt de plek te zijn waar de goden na Ragnarök (= ondergang der machten) opnieuw bijeen komen en waar alle leven een nieuwe start neemt. De etymologische betekenis van Iðavollr is tot op heden niet geheel duidelijk, al lijkt de koppeling aan iðuliga (= voortdurend in beweging) tot nu toe het meest plausibel. Vollr betekent ‘veld’ of ‘vlakte’. Samengevoegd geeft dit in de geest: ‘veld van continue hernieuwing’; een gegeven dat lijkt te passen in het Indo-Europese concept van cyclische tijdperken. Otten zit dan allicht ook op het juiste spoor met zijn vertaling ‘wielende vlakte’ (strofe 7). de Vries stelt in zijn vertaling van strofe 8 dat de reuzinnen de bestaande vrede komen verstoren, al staat dat niet letterlijk in de brontekst. Wanneer we het ganse mythische corpus echter in ogenschouw nemen, spelen reuzen inderdaad een antagonistische rol. Het feit dat de goden uitgerekend dààr op die plek onbezorgd zitten te spelen, gekoppeld aan het feit dat drie figuren uit Jotunheimr verschijnen, suggereert een nakende confrontatie der ‘machten’ (= ragna), zoals die effectief wordt voorspeld in het verdere verloop van Voluspá.

In de Oudnoorse brontekst worden de reuzinnen overigens þursa meyjar genoemd. Otten vertaalt dit in zijn standaardwerk als ‘dochters van trollen’, wat ons niet helemaal correct lijkt. Ook de Vries, die spreekt van ‘dochters van reuzen’, is in feite niet concreet genoeg. De waarheid ligt in het midden. De term þurs is immers van een andere categorie dan jotunn. Terwijl deze laatste term tamelijk neutraal is en het best de lading ‘reus’ dekt, heeft þurs een expliciet negatieve connotatie, net als troll overigens (zie bijvoorbeeld Skírnismál 36). Het lijkt erop dat Otten de termen þurs en troll daarom als synoniemen opvoert. Toch moeten we hiermee opletten, omdat de term troll door de eeuwen heen een aparte plaats kreeg toebedeeld in de lagere mythologie en af en toe in verband werd gebracht met draugr (= terugkerende doden). Ik zou in de betreffende passage dan ook in de geest opteren voor ‘drie kwaadwillende reuzenmeiden uit Jotunheimr’. Het feit dat de brontekst gewag maakt van þursa meyjar wijst ons inziens duidelijk op het feit dat ze als onheilbrengsters kunnen worden beschouwd.
Aan de komst van deze meiden gaat de schepping van de kosmos vooraf. Het resultaat lijkt een soort van vredevolle orde te suggereren waarin goden harmonieus figureren; mogelijk analoog aan de evenwichtige toestand tijdens de Indische Satya Yuga. Na het verschijnen van de drie reuzinnen lijkt alles evenwel voorgoed te veranderen. Dwergen worden gecreëerd, het eerste mensenpaar wordt leven ingeblazen en het komt tot een treffen tussen (de) twee godengeslachten.
Nergens wordt verder verduidelijkt waarom het uitgerekend reuzinnen zijn (en geen reuzen) en waarom ze precies gedrieën komen.
In strofe 49 van Voluspá (41 bij de Vries en 49 bij Otten) worden we opnieuw geconfronteerd met de plaats waar ze vandaan komen: Jotunheimr.
“Wat is er bij de azen? Wat is er bij de alven? Reuzenheim dreunt, raad plegen de Azen; de dwergen steunen voor de deuren van steen en de wand van de rotsen – wat weet gij nog meer?” (de Vries)
“Hoe staat het bij de asen, hoe staat het bij de alven? Heel Reuzenrijk kabaalt, de asen vergaderen, de dwergen steunen voor deuren van steen, zij, die heersen over de rotswanden... Weten jullie het nu, of niet?” (Otten)
Hvat er meþ asom? hvat er meþ alfom?Gnyr allr iotvn heimr esir ro aþingi; stynia dvergar fyr stein dvrom veg bergs visir. Vituþ ér enn eþa hvat?” (Codex Regius)
Deze strofe voert ons naar het hart van de Ragnarök – de (cyclische?) ‘eindtijd’ waar alle machten ondergaan – waar goden (azen), alven, reuzen en dwergen zich opmaken voor de ultieme strijd. Het enige wat we uit deze passus kunnen weerhouden, is dat de jotnarr een rol zullen spelen in deze strijd en dat ze duidelijk als soort te onderscheiden zijn van alven, goden en dwergen.
Naast Voluspá komen we de term Jotunheimr eveneens tegen in Skírnismál (= Lied van Skírnir). In dit verhaal stuurt de god Freyr zijn boodschapper Skírnir naar reuzenland om de hand van een reuzin te veroveren. Omdat er nogal wat markante elementen in voorkomen, zullen we dit lied uitvoeriger doorlichten. We lezen in strofe 40 het volgende:
“Zeg mij, Skirnir, voor uit ’t zadel gij stijgt en een voet nog voorwaarts zet: bereikte gij iets in het reuzenland, dat mij met vreugde vervult?” (de Vries)
“Zeg eens, Blinker, voor je de merrie afzadelt of ook maar één voet vooruit zet, wat heb je bereikt in het Rijk van de Reuzen, dat jou of mij tevreden kan stellen?” (Otten)
“Segþv mer þat, Scirnir! Aþr þv verpir sadli af mar oc þv stígir feti framarr: hvat þv arnaþir i iotvnheima þins eþa mins mvnar?” (Codex Regius)
Deze tekst is interessant omdat het een interactie suggereert tussen goden en reuzen. Met andere woorden: goden kunnen blijkbaar naar de wereld van de reuzen afreizen. We zullen het ganse lied overlopen om te zien of we iets meer te weten kunnen komen over de precieze locatie van Jotunheimr en zullen ook trachten de figuur van Gerðr (de reuzin om wie het hier allemaal gaat) verder toe te lichten.
In de proloog van Skírnismál wordt gewag gemaakt van het feit dat Freyr op hliðskjálf had plaatsgenomen; de troon/schelf die in wezen aan de hoofdgod Óðinn toebehoort en van waarop deze kan uitkijken over de ganse wereld. Freyr deed hetzelfde en zag zo in Jotunheimr een mooie meid (hann sa i iotvnheima oc sa þar mey fagra) die hem van zijn stuk bracht. In strofe 6 vertelt hij aan Skírnir, zijn boodschapper, dat dit meisje de woonst van Gymir binnenging. de Vries vertaalt mey door ‘maagd’; een gegeven dat taalkundig klopt, al kan de term mey meerdere ladingen dekken. Denken we maar aan de meerdere betekenissen van het Engelse maiden. De expliciete verwijzing naar maagdelijkheid lijkt ons inziens correct gezien het belang ervan binnen de Noord-Germaanse cultuursfeer met betrekking tot huwbare meisjes. Wat ook opvalt is dat de reuzenmaagd volgens de auteur in dezelfde strofe de omgeving van Jotunheimr doet schitteren:
“[...] haar armen straalden en schitterend blonken zelfs de lucht en de zee. ” (de Vries)
“[...] de hele lucht en alle wateren gloeiden door de glans van haar armen.” (Otten)
“[...] armar lysto, en af þaþan alt lopt oc lagr.” (Codex Regius)
Belangwekkend is vers 7 waarin Freyr bekent deze reuzin te beminnen, maar daar onmiddellijk aan toevoegt dat azen (hemelgoden), noch alven/elfen een vereniging zouden toejuichen.
“Ik min deze maagd meer dan een man ooit een meisje beminde; geen enkele alf of aze wenst dat wij zouden te zamen zijn.” (de Vries)
“Sinds de dagen van weleer heeft geen man ooit een lieftalliger kind bemind; maar niemand van de azen of alven wil dat wij ons verzoenen.” (Otten)
“Mer er mer tiðari manni hveim vngom i árdaga; asa oc alfa þat vill engi maþr at viþ samt sém.” (Codex Regius)
We merken hier overigens dat Otten de letterlijke vertaling van het ‘samen zijn’ (samt sém) van god en reuzin niet aanhoudt (zoals de Vries doet), maar het werkwoord verzoenen gebruikt. In de context van het ganse mythencorpus kunnen we Ottens keuze begrijpen, aangezien de ganse schepping werkelijk een aanvang neemt wanneer drie goden (Óðinn, Vili, Vé) de oerreus Ymir doden en van zijn lichaam de kosmos vormen. Deze daad – dit oeroffer als het ware – markeert het beginpunt van de blijvende vete tussen goden en reuzen en dat kan mogelijk de afwijzende houding jegens hun vereniging verklaren.

In strofe 8 is er sprake van een vlammenwal die moet worden getrotseerd. Uit het desbetreffende vers kunnen we evenwel (nog) niet afleiden of de vlammen Jotunheimr omgeven, dan wel specifiek de verblijfplaats van de maagd afbakenen. Het gegeven van de vlammenwal wordt door een aantal onderzoekers soms gekoppeld aan Sigrdrífumál; al gaat de vergelijking volgens mij niet helemaal op. In het bestek van dit artikel ga ik daar evenwel niet dieper op in.
In strofe 10 leren we iets over de weg die dient te worden afgelegd vanaf de verblijfplaats van de goden tot aan Jotunheimr:
“Het is buiten donker; het dunkt mij tijd te rijden over de rotsen; [...]” (de Vries)
“Buiten ligt de duisternis, het is tijd om te gaan over de nevelige heuvels en te draven door het land. [...]” (Otten)
“Myrct er vti, mal qveþ ec ocr fara vrig fioll yfir, þvrsa þioþ yfir; [...]” (Codex Regius)
Hier wijken de vertalingen van de Vries en Otten af van het origineel. De term fioll houdt verband met een specifiek heuvelachtig landschap zonder spitse toppen. Gevoelsmatig zit Otten hier dus op het juiste spoor. Yfir daarentegen – hier als bijvoeglijk naamwoord – kan in de geest worden vertaald als ‘vasthoudend’, ‘beschermend’, of zelfs ‘afgelegen’. de Vries vertaalt het echter niet en Otten gebruikt hier de term ‘nevelig’. Beiden vermelden bovendien niet dat de reis naar het (vijandige!) gebied van de þurs gaat. Bij aanvang van onze studie wezen we reeds op het gevoelsmatige verschil tussen de begrippen þurs en jotunn. We stellen daarom volgende vertaling voor:
“Buiten is het duister en het is tijd om door het vaste heuvellandschap te trekken, naar de afgelegen woonplaats van de kwaadwillende reuzen [...]. ”
In strofen 11 en 12 bereikt Skírnir de grenzen van Jotunheimr waar een wachter de omgeving afspeurt op mogelijke indringers.
Skirnir: “Zeg mij, herder, die zit op de heuvel en alle wegen bewaakt: hoe ik aan Gerd trots Gymirs honden een boodschap brengen kan. ” Herder: “Zijt gij soms veeg of zo onvervaard dat gij dit stuk durft bestaan; een boodschap zult gij brengen nimmer aan de goede dochter van Gymir.” (de Vries)
Skirnir: “Zeg eens herder boven op de heuvel, wachter over alle wegen: hoe krijg ik het jonge ding te spreken zonder de teven van de Zee?” Herder: “Ben jij verdoemd of ben je al dood? Eeuwig blijf jij van een gesprek buitengesloten met de goede dochter van de Zee.” (Otten)
Skirnir: “Segðv þat, hirþir! er þv a hagi sitr oc vardar alla vega: hve ec at andspilli komvmc ens vnga mans fyr greyiom Gymis?” Herder: “Hvart ertv feigr eþa ertv framgenginn? Andspillis vanr þv scalt e vera godrar meyiar Gymiss.” (Codex Regius)
De vertalingen van de Vries en Otten lopen hier op een bepaald punt zover uit elkaar dat een woordje uitleg onontbeerlijk is. Wat leren deze strofen ons?
Eerst en vooral wordt Jotunheimr bewaakt en meer bepaald door een herder (hirþir). We kunnen uit de tekst onmogelijk afleiden of deze herder zelf tot het reuzengeslacht behoort, dan wel in hun opdracht de toegang bewaakt. Het opvallende aan de vermelding van een herder is dat deze onlosmakelijk samenhoort met een kudde. Een grazende kudde suggereert dan weer tot op zekere hoogte vruchtbare grond. Met andere woorden: op z’n minst tot aan de grenzen van Jotunheimr lijkt de natuur niet desolaat. Dat laatste zou men nochtans kunnen verwachten wanneer men reuzen – zoals vaak gebeurt – interpreteert als chtonische ongeordende krachten. Voornoemde herder bevindt zich op een ‘verhoging’ (hagi) van waar hij de omgeving kan overzien. Wanneer Skírnir hem vraagt hoe hij het aan moet pakken om voorbij de honden te komen die de dochter van Gymir bewaken, stelt deze een interessante wedervraag: Ben je veeg (feigr) of reeds heengegaan/gestorven (framgenginn)? de Vries vertaalt framgenginn onjuist door ‘onvervaard’ en het woordje ‘veeg’ houdt verband met het tot sterven gedoemd zijn (zoals Otten aangeeft ). De vraag houdt een mogelijke verwijzing in dat enkel wie reeds gestorven is, Jotunheimr zou kunnen betreden. We verwijzen naar de hellehond Garmr (Voluspá) die het dodenrijk bewaakt en de opvallende aanwezigheid van waakhonden aan de grenzen van Jotunheimr in dit verhaal. De herder, die blijkbaar doorheeft dat Skirnir verdoemd noch dood is, stelt dat het hem nooit zal lukken de dochter van Gymir een boodschap over te maken. Otten spreekt hier, verrassend genoeg misschien, over de ‘dochter van de zee’. Deze zeer hypothetische interpretatie houdt verband met de proloog van Lokasenna waarin Gymir als synoniem wordt opgevoerd voor de zeereus Ægir (een gegeven waarmee de Ijslander Snorri Sturluson in Skáldskaparmál 23 akkoord gaat). Er zijn evenwel elementen aanwezig in Skírnismál die een samenvallen van beide figuren onwaarschijnlijk maken. Zo blijkt het element water hier totaal afwezig. Bovendien stelt Gymir zich verderop vijandig op, terwijl Ægir in alle andere bronnen (Lokasenna en Grímnismál) als vriend van de goden wordt opgevoerd. We vermelden ook dat de etymologie van het woord Gymir tot op heden onduidelijk blijft. Om deze redenen volgen we Ottens vertaling liever niet.
In strofe 14 leren we dat Gerðr de naam van de reuzin is waarom het allemaal draait. Dit is niet onbelangrijk, want de betekenis van deze naam vertelt ons iets over de aard van de reuzin. In het begrip gerðr of garðr herkennen we ons Middelnederlandse ‘gaerde’, wat kan worden geïnterpreteerd als een ‘omheind stuk grond’. Bij het verwante Oudierse gord ligt de klemtoon sterk op het rurale karakter van die grond. Anders gezegd: de figuur Gerðr zou de personificatie zijn van een vruchtbaar braakliggend terrein. Dit bevestigt het vermoeden dat de zeereus Ægir (en zijn band met zout water!) hier niets mee te maken. Bovendien worden diens dochters met zeegolven in verband gebracht (Skáldskaparmál 22 en 58).
Het verhaal neemt in strofe 16 een opmerkelijke wending na de woordenwisseling met de herder. Gerðr laat Skírnir binnenkomen en nodigt hem uit voor een mededronk (Oudnoors: mioþ). Binnen de Noord-Germaanse mythologische context wordt mioþ in verband gebracht met poëzie en (goddelijke) inspiratie/wijsheid. We verwijzen voor meer details naar voornoemd Skáldskaparmál.
Vervolgens (strofe 17) vraagt ze naar zijn afkomst en de manier waarop hij tot bij haar geraakte:
“Zijt gij een alf of een azenzoon of een telg van de wijze wanen? Hoe rijdt gij alleen door ’t razende vuur om hier mijn zaal te bezoeken?” (de Vries)
“Ben jij een alf of een van de asen, een wijze wane soms? Waarom kwam jij alleen door ’t woedende vuur om hier onze huishouding te zien?” (Otten)
“Hvat er þat alfa ne asa sona ne víssa vana? Hvi þv einn vm komt eikinn fvr yfir ór salkynni at sia?” (Codex Regius)
Uit deze passage kunnen we mogelijk afleiden dat een dergelijk huzarenstukje (buiten voor gestorvenen) slechts weggelegd lijkt voor alfen en goden (zowel hemelgoden als aardgoden). Skírnir laat hierop weten dat hij geen van beide is, maar over zijn ware aard (mens?) wordt verder niks vernomen. De boodschapper van Freyr gaat meteen over tot de kern van de zaak en biedt de reuzin geschenken aan teneinde haar liefde te kunnen afkopen. Ondanks het fabelachtige karakter van de geschenken – gouden appelen (Iðunn?) en de ring van Óðinn – weigert de reuzin halsstarrig. Vervolgens verandert de toon van het gesprek radicaal. Skírnir dreigt haar eerst om het leven te brengen, maar wanneer blijkt dat de reuzin hier niet echt van onder de indruk lijkt, gaat hij nog een stap verder en bedreigt haar met magische handelingen. In strofe 26 lezen we:
“Ik tem u met een tik van een tovertak, dat gij willig mijn wens vervult: dààr zult gij zijn, waar de zonen der mensen u nimmermeer zullen zien!” (de Vries)
“Met deze roede zal ik je temmen, je buigen naar mijn wensen. Naar een plek zal je gaan waar geen mens je ooit nog zal zien.” (Otten)
“Tamsvendi ec þic drep, enn ec þic temia mvn, mer! at minom mvnom; þar scaltv ganga, er þic gvmna synir siþan eva se.” (Codex Regius)
Wat ons in de gegeven context interesseert, is de verwijzing naar het verliezen van (oog)contact met mensen. Dit zou kunnen impliceren dat er mensen (gestorvenen?) in Jotunheimr komen of dat Gerðr Jotunheimr op gezette tijdstippen verlaat en zich onder de mensen begeeft. Het zou anderzijds evenzeer kunnen wijzen in de richting van de hypothese dat Gerðr in wezen de personificatie is van de (door de mens) te bewerken landbouwgrond. Het feit dat Gerðr door Skírnir geacht wordt het verlies van het contact met mensen als negatief te ervaren, kan eveneens in deze richting wijzen. Het zou tegelijk kunnen wijzen op het feit dat de verhoudingen tussen reuzen en mensen (en misschien ook tussen goden en reuzen) niet eenduidig negatief waren in voorchristelijke tijden. Mocht dit kloppen dan sluit dat aan bij onze eerdere opmerking dat een onderscheid tussen de termen þurs en jotunn in overweging dient te worden genomen bij het bestuderen van bronteksten.
Strofe 27 is mogelijk nog markanter. Hier houdt Skírnir haar voor dat het enige uitzicht dat Gerðr wacht, dat van Hel zal zijn: het dodenrijk, afgewend van thuis.
“[...] weg van de wereld en gewend naar de Hel.” (de Vries) “[...] afgewend van de wereld, je uitzicht is Hel.” (Otten) “[...] horva heimi ór, snvgga heliar til”. (Codex Regius)
Zowel de Vries als Otten vertalen heimi als ‘wereld’. In het licht van onze studie verkies ik de term ‘thuis’. We leren hier immers dat Hel – de onderwereld – niet samenvalt met Jotunheimr. Dat is niet onbelangrijk aangezien eerder in Skírnismál een onrechtstreekse verwijzing naar de onderwereld werd gemaakt. Wat we ook leren, is dat Gerðr wordt geacht de aanblik van Hel als onplezierig te ervaren. Gaat het hier om een originele passus of werd dit ingevoerd onder impuls van de christelijke visie op de ‘Hel’? Vooralsnog blijven we het antwoord schuldig.
We verwijzen opnieuw naar het verklaringsmodel van de vruchtbare aarde en leggen het verband met het wassen van het zaaigoed. Het ‘richting Hel kijken’ – afgewend van ‘thuis’ – kan hier duiden op onvruchtbaarheid; gewassen die niet uitkomen. Met andere woorden: Gerðr zou hier kunnen worden vergeleken met een stuk grond dat niet gecultiveerd raakt. Lees: ‘niet thuisgeraakt’. We mogen niet uit het oog verliezen dat in Grímnismál (strofen 41 en 42) de wereld wordt gevormd door het doden en uitbenen van de oerreus Ymir door de god Óðinn en zijn twee broers. Werd het bewerken van het land door de mens – het ‘ordenen’ zeg maar – in heidense tijden beschouwd als een imitatie van het Germaanse scheppingsverhaal?
U merkt het: vele vragen en tot nog toe maar weinig antwoorden. Jotunheimr geeft haar geheimen niet zonder slag of stoot prijs... .
Epiloog:
In de volgende bijdrage zetten we onze speurtocht verder. We nemen opnieuw het Skírnismál onder de loep en verdiepen ons in de Þrýmskviða.
Wordt dus vervolgd!
Goden, voorouders en runen - door Koenraad Elst
In de Engelstalige landen voeren hindoes en boeddhisten een campagne onder het motto “I’m innocent”, “mij treft geen schuld”. Onderwerp van het motto is de swastika, een oeroud zonnesymbool gebruikt door uiteenlopende volkeren dat recent zwart gemaakt is door (associatie met) een duistere politieke stroming. Het oud-Germaanse runenschrift kan ook op een dergelijk eerherstel aanspraak maken.
Op het schutblad van Pieter Aspe’s politieroman Onvoltooid Verleden (2004) staat een worp steentjes met elk één runenteken, zoals je ze voorverpakt in New-Age-boekhandels kan kopen. Op de vraag tijdens een radio-interview wat die met de plot te maken hebben, verklaarde hij: “Het speelt zich af in het extreemrechtse milieu.” Dit is welbeschouwd van hetzelfde beledigende gehalte als er Hebreeuwse letters opzetten met als uitleg: “Het gaat nu eenmaal over zwendel.” Er is namelijk niets extreemrechts aan runen, en de overgrote meerderheid van runengebruikers doorheen de geschiedenis hadden nog nooit van het typisch moderne verschijnsel extreemrechts gehoord. Dat wijlen de Vlaamse Militanten-Orde met de odal-rune (naam die “bezit, erfgoed” betekent, omgeduid tot “bloed en bodem”) dweepte, zegt niets over de runen noch over hun ontwerpers.
Tegen de achtergrond van de obsessieve oplegging van moderne randpolitiek aan een alfabet uit een heel andere maatschappij, is het een verademing om twee boeken te kunnen presenteren die de runen in hun authentieke gedaante presenteren zonder enige besmetting door die linkse en rechtse waanwerelden.

Migrerend schrift, migrerende mensen
Het boek De Vikingen achterna van KUL-germanist prof. em. Johan Nowé is een nuchter feitenrelaas van de Noord-Germaanse cultuur van de Romeinse tot de vroegmoderne tijd. Het is in de eerste plaats opgevat als een geschiedenis van de Vikingen en aanverwante gemeenschappen, maar dan aan de hand van runenbronnen. Bladzijde na bladzijde worden bestaande runeninscripties gereproduceerd en in detail besproken: tekst, vertaling, verklaring. Eerst echter een geschiedkundig overzicht van het runenschrift zelf.
Is dit schriftstelsel niet Scandinavisch, en is zijn populariteit in bepaalde flamingantische kringen geen lichtelijk komische poging om zich een valse Vikingidentiteit aan te meten? Dit laatste kan inderdaad het geval zijn, maar er is wel degelijk een zuiver “inheemse”, namelijk Frankische connectie. Het runenschrift heeft het langst gebloeid in Scandinavië ter weergave van de Noord-Germaanse dialecten, maar “vele van de vroegste runeninscripties bevatten eigennamen en woordvormen die eerder op een West- dan wel een Noord-Germaanse herkomst wijzen”. West-Germaans is de dialectgroep waaruit ondermeer het Nederlands (West-Neder-Frankisch) is voortgekomen. Het werd rond het begin van de christelijke jaartelling gesproken langsheen de Rijngrens met het Romeinse rijk, waarbinnen het Latijnse alfabet in gebruik was. Een groot deel van de runen is herkenbaar op Latijnse letters gebaseerd, zodat “heel wat runen erg op de hoofdletters van het Latijnse alfabet lijken” (p.19); al dwong het oorspronkelijke schriftmedium, namelijk kerven in hout, hen in een nieuwe, typisch rechtlijnige vorm.
Zoals de meeste alfabetten is het runenschrift via-via uiteindelijk gebaseerd op het Noordwest-Semitische oer-alfabet, gevonden in Oegarit, Syrië, ca. 1600 v.C. Dit schrift gebruikte het acrofonisch beginsel, d.w.z. dat een letter genoemd wordt naar een woord dat met de bedoelde klank begint, bv. ’alef, “stier”, beduidt de ’a-klank (glottisslag vóór beginklinker); bet, “huis”, de b-klank. Die betekenissen werden ook in de letters uitgebeeld: in de letter ’alef herken je een stierenkop met twee horens. In het daarvan afgeleide Hebreeuwse schrift werden de namen van de letters behouden, maar ging de visuele gelijkenis door vervorming grotendeels verloren. Van de Feniciërs namen de Grieken het alfabet over met dezelfde Noordwest-Semitische namen, maar zonder dat deze nog iets betekenden: er bestaat geen Grieks woord alfa of bèta. Ze pasten het bovendien aan hun eigen klanksysteem aan, met aparte letters voor de klinkers.
Dit systeem is dan door de Romeinen en vervolgens de Germanen overgenomen. De Romeinen verlieten het acrofonisch beginsel, maar de Germanen vonden het opnieuw uit: fehu, “vee” (en vandaar “rijkdom”) is de naam voor de f-klank; dagaz, “dag”, voor de d-klank, enz. Naar de klank van de eerste zes letters wordt het alfabet futhark genoemd, met oorspronkelijk 24 letters, maar later kwam er een Scandinavische variant met 16 en een Angelsaksische met uiteindelijk 33 letters.
De stammen die het Romeinse rijk binnentrokken, zoals de Franken, ruilden hun kersverse schrift spoedig in voor het Latijnse origineel. Hetzelfde gebeurde bij hen die nadien door het uitdijende Frankische rijk onderworpen werden, zoals de Saksen. In Scandinavië bleef het runenschrift echter in gebruik tot in de late middeleeuwen, en in de marge zelfs tot in de moderne tijd.
Runenmeesters werden eril of jarl genoemd, waaruit het Engelse woord earl, “graaf” afgeleid is. Nowé citeert een 6de-eeuwse runeninscriptie: “Ik, de eril, sta bekend als de ingewijde.” (p.38) En nog zo een: “Ik, de eril, heb deze runen vervaardigd.” (p.39) Terwijl adeltitels doorgaans naar een antieke militaire rangorde verwijzen, waren deze erils oorspronkelijk eerder een soort koninklijke raadgevers, onderscheiden door hun kennis meer dan door militaire prestaties. Net als bij de Indiase brahmanen was hun symboolkleur wit, zo blijkt uit het Edda-boek Rigsthula, terwijl die van de krijgers rood en die van de werkende klasse zwart was.
Kerstening van de heidenen
De Vikingen waren oorspronkelijk gewoon landbouwers en handelaars die aan een economische expansie toe waren: “niet zozeer krijgszuchtige piraten maar vooral nijvere wroeters” (p.72). Dankzij “revolutionaire technieken bij de bouw en inrichting van hun schepen” (p.117), ondermeer de uitvinding van de kiel, verwierven zij een militair voordeel, en zoiets blijft nooit lang ongebruikt. Voor jonge mannen boden raids overzee een nieuw perspectief om snel buit en roem te vergaren. Aan het eind van de rit, of liever de vaart, zouden er Vikingen heersen op Sicilië en van Newfoundland tot de Wolga.
Het feest opende in 794 met een waarschijnlijk niet-geplande overval op het Noord-Engelse kloostereiland Lindisfarne: “De Vikingen roofden er de vele kerkschatten, gouden en zilveren liturgische voorwerpen en kostbare handschriften. Ook doodden ze tal van monniken of voerden ze als slaven mee naar hun thuisland.” (p.122) Het gemakkelijke succes werkte aanstekelijk, en de overvallen werden talrijker en systematischer. De Vikingen bouwden vestingen op de kusten, ondermeer in 840 één die een belangrijke havenstad zou worden: Dublin. In 865 stichtten zij in Engeland een eigen staat, bekend als de Danelag, met als hoofdstad Jorwik (York).
Na de Britse eilanden viel hun begerig oog op het vasteland. Ze “hadden het hier niet in de eerste plaats op de kloosters gemunt” doch “richtten de steven naar rijke maar goeddeels onbeschermde steden, die ze zelf reeds als handelsreiziger hadden leren waarderen”. (p.126) Het begon in 826 met de plundering van Dorestad nabij Utrecht, en dan volgden Gent, Keulen, Parijs e.v.a. De Franken probeerden rust te kopen door schatting te betalen, wat de appetijt alleen aanscherpte, of door hoofdmannen een leen te geven (vandaar Normandië). Uiteindelijk zou een militaire oplossing een einde maken aan de invasies op het vasteland: in 891 werden de Vikingen nabij Leuven verslagen door Arnulf van Karinthië.
Hoewel de gemiddelde Vikingraid, anders dan de ghazwa van Mohammeds troepen, geen specifiek religieus oogmerk had, zag de christenheid het Vikingprobleem wel als een “gesel Gods”. Net zoals Franciscus van Assisi en Raimundus Lullus het islamprobleem zochten op te lossen door de moslims te gaan bekeren, verwachtte men vrede met de Vikingen te kunnen bewerken door hen te kerstenen. Dat was sowieso al de bedoeling, maar het stereotiep woeste van deze heidenen scherpte de behoefte om hen door het doopsel te temmen.
In de 10de-12de eeuw werd deze omslag voltrokken. In het door hen als staat gestichte Rusland bijvoorbeeld: “Overigens assimileerden de Vikingen zich vrij vlug met de autochtone bevolking en bekeerden zij zich omstreeks 990 tot de plaatselijke orthodox-christelijke godsdienst.” (p.148) Zij zouden eigenlijk als rolmodel voor de “weg met ons”-ideologie kunnen dienen: overal waar zij zich vestigden verzaakten zij hun eigenheid door biologische en culturele assimilatie met de plaatselijke bevolking.
Maar ook in eigen land ruilden zij hun eigen religie in voor het opdringende christendom, te beginnen met de heersende klasse. De missionarissen zochten in hen een strategische toegang tot de hele samenleving, en omgekeerd “meenden ook de heersers zelf met het optreden van de missionarissen hun voordeel te kunnen doen. Het leek hen namelijk dat ze, eens gekerstend, als christelijke koningen en dus als ‘gezalfden van God’ een veel groter prestige en macht konden ambiëren.” (p.204) De Kerk hielp de bovenklasse om de aloude gedecentraliseerde en nagenoeg staatloze samenleving in een echt koninkrijk om te vormen. Op de runensteen van koning Harald Blauwtand in Jelling staat: Auk tani karthi kristno, “En hij maakte de Denen christen.” (p.204)
Dat vele bekeringen het gevolg waren van boycot- of strafmaatregelen (of de dreiging daarmee) tegen de heidenen vanwege de christelijke vorsten van Denemarken en Noorwegen is goed gedocumenteerd, bv. voor de collectieve beslissing tot bekering door het IJslandse parlement in het jaar 1000. Een bekend bekeerling was Leif Eriksson, de ontdekker van Vinland in ca. 995, zoon van Erik de Rode, die in 985 Groenland ontdekt had. Hij pleitte bij zijn moeder om zijn heidense vader haar seksuele gunsten te weigeren zolang die in Groenland geen kerk bouwde. Als het erom gaat, mensen tot het verlossende ware geloof te brengen, zijn de vreemdste middelen geoorloofd.
De runen floreerden tot lang na de kerstening. Of beter, juist dán floreerden ze en kregen ze een duurzame vorm op runenstenen. In de kolonisatieperiode, vóór het jaar 1000, waren deze gedenkstenen nog niet gebruikelijk. Van de 150 jaar Vikingheerschappij in grote delen van de Britse eilanden is “jammer genoeg nauwelijks een spoor in de vorm van runeninscripties” bewaard (p.125), en “op IJsland en Groenland is totnogtoe telkens één runeninscriptie uit de Vikingtijd aangetroffen.” (p.130) Omgekeerd “bezitten liefst 60% van de stenen in Uppland een of andere verwijzing naar het christendom”. (p.203) Nowé presenteert bv. enkele inscripties van families die de bedevaart naar Jeruzalem gemaakt hadden. (p.214-215) Nieuwheidense runendwepers wezen dus gewaarschuwd: het runenschrift is niet distinctief heidens, christenen zagen het niet als een te mijden woonplaats der afgoden.
De kerstening maakte de Vikingen niet meteen vrediger. De kerstenaar van Noorwegen, de heilige Olaf II, “maakte jarenlang Friesland, Frankrijk en vooral de Engelse kusten onveilig. Ook aard en omvang van de overvallen kregen een heel andere dimensie. Wat thans voor de Engelse kust opdook, waren niets minder dan grote, geregelde legers, onder leiding van heuse Scandinavische koningen, die overigens, net als de Engelsen, christenen waren.” (p.131) Het is vooral door economische en militaire evoluties dat er aan de Vikingraids een einde kwam, niet door de nieuwe godsdienst.
De Scandinavische overheden hebben de runeninscripties met veel zorg bewaard, en hier en daar van een museum voorzien. Prof. Nowé besluit met een oproep om daar eens wat aan runentoerisme te gaan doen. Slechts terloops verwijst hij naar “de magische functie van de runen, een fenomeen dat we bij de oudste inscripties herhaaldelijk aantreffen”. (p.20) Hij moet niets hebben van hedendaagse zwevers die “beslag leggen op de runentekens” en er “allerlei esoterische en magische krachten” aan toeschrijven: “Het hoeft geen betoog dat dergelijke irrationele praktijken niets van doen hebben met het historisch-cultureel belangrijke fenomeen van de runen als geschreven communicatiemiddel van vooral de Vikingen”. (p.235) Zou het? Daarover handelt een andere nieuwe publicatie.
Drie maal drie is negen
Onlangs zag ik op een folklorefestival een Vlaams echtpaar achter een tafeltje hun diensten aanbieden, namelijk als runendeskundigen. Met behulp van de 24 tekens van het Germaanse runenalfabet voorspelden zij je toekomst. Bovendien maakten zij amuletten om met runenkracht specifiek onheil af te wenden of gunstige energieën aan te trekken. Net als de antieke runenmeesters runen in zwaarden inkerfden om de zwaardvechter onoverwinnelijk te maken.
Het is weer eens wat anders in het orakelwereldje dan het Chinese Boek der Veranderingen met zijn 64 hexagrammen (stel van zes lijnen die ofwel vol/yang ofwel gebroken/yin zijn), of de Tarotkaarten. Deze laatste associeert men met waarzeggende Zigeunerinnen, maar ze dateren blijkbaar uit het 13de-eeuwse Noord-Italië, en de 22 “grote arcana” (trionfi, vanwaar “troeven”) van de Tarot zijn kennelijk gevormd naar de 22 letters van het Hebreeuws alfabet. De symbolische lezing van het Hebreeuwse alfabet in de Kabbala is alleszins de nauwkeurigste analogie voor de runenduiding. Jahweh, Wodan, zelfde strijd!
Sommigen voelen zich misschien geroepen om deze duistere kunst nieuw leven in te blazen. Kan gebeuren. Een Nederlandse runenwerpster kreeg in een droom de opdracht om de runengod Wodan opnieuw te gaan vereren, ten teken waarvan ze diens logo tussen haar borsten liet tatoeëren: de “gevallenenknoop” of val-knut (vgl. val-kure en val-halla), drie ineengevlochten driehoeken. Drie maal drie is negen, en negen is inderdaad het getal van Wodan, die de runenwijsheid verkreeg door negen dagen ondersteboven opgehangen te blijven aan de levensboom Yggdrasil, de ruggengraat van de negen werelden van de Germaanse kosmos. Een andere besefte haar roeping plots toen het haar opviel dat ze geboren was op woensdag 9 november: Wodans-dag, de negende dag van de negende (novem) Romeinse maand! Onmiskenbaar een teken van goddelijke voorbestemdheid, al zijn ruim 2 miljoen nu levende mensen op een woensdag 9 november geboren.
Over de schemerlezing van de runen is er nu het boekje Runen in de Noordse traditie van Vincent Ongkowidjojo (°1979) bij de New-Age-uitgeverij Ankh-Hermes. Het is minstens al vermeldenswaard omwille van zijn ongewone auteur. Langs vaderskant stamt hij uit de Chinese minderheid in Indonesië. Toen de regering van het gedekoloniseerde land iedereen verplichtte om een echt Indonesische naam te voeren, voegde de familie Ong (Mandarijns Wang, “koning”) het element “widjojo” aan haar naam toe, uit Sanskrit vijaya, “zege”. Met zijn exotisch fenotype is hij een levende weerlegging van de grijsgedraaide pogingen om runen en andere Germaanse folklore aan romantisch Noords nationalisme of zelfs racisme te koppelen. Zijn wortels liggen in het daoïsme (dat wel wat met het Germaanse heidendom gemeen heeft, ondermeer het geloof dat de mens meerdere zielen heeft) en hij geeft ook les in Chinees schaduwboksen ofte taijiquan, nog wel in het Multikultureel Centrum Paul De Maeseneer te Herent. Niks geen Vlaams-nationale heikneuter dus. Hij is bovendien afgestudeerd aan het onvolprezen KUL-departement Oosterse Filologie en Geschiedenis, afdeling Oude Nabije Oosten (Sumerisch, Akkadisch, Hebreeuws, Egyptisch) en benadert de Oud-Noorse runenbronnen met de juiste wetenschappelijke methoden.
Maar dat belet hem niet om ook de runenmagie te exploreren (zie deze Webstek), met behulp van runen die hij in zelfgesneden houtjes gekerfd heeft. Christenen wezen gewaarschuwd voor de vreemde goden die deze Chinese keuze-Germaan aanbidt: “Het geloof in de goden wordt in onze maatschappij nog steeds met wantrouwen bezien, maar de mens is op het vlak van bewustzijn reeds zo ver geëvolueerd dat ik erop vertrouw dat het bestaan van de goden binnen enkele generaties algemeen aanvaard zal worden.” (p.8)
Antieke orakelsystemen waren erop gericht, de wil van de goden te vernemen, in de eerste plaats welke offers zij verlangden: een bedevaart, een koe, de eerstgeborene? Niet zozeer op hedendaagse hartsvragen over relaties of zelfontplooiing, dus. Dat de runen überhaupt voor waarzeggerij gebruikt werden, is slechts dunnetjes in documenten betuigd. We weten dat de Germanen loten wierpen maar niet of ingekerfde runen daarin over de betekenis van de worp beslisten, en nog minder zeker of elke rune daarbij de betekenis had die moderne runenmeesters uit hun woordwaarde afleiden. Maar orakelsystemen zijn iets persoonlijks, destijds evengoed als vandaag, het gaat er vooral om dat de beoefenaar er een voor hemzelf overtuigend model van de rijke variatie aan mogelijke levenssituaties in kan herkennen.
Eens je de runen (“geheimen”) verinwendigd hebt, ondermeer door ze als mantra’s te zingen, kan je ze naar ervaring van de auteur ook gebruiken als talisman om weldadige energieën te kanaliseren. Goochel met runen voor een betere wereld.
|

|
De Vikingen achterna, Johan Nowé Davidsfonds, Leuven 2009, ISBN 978-90-5826-591-3. |
|

|
Runen in de Noordse traditie, Vincent Ongkowidjojo Ankh-Hermes, Deventer 2008, ISBN 978-90-202-0201-4. |
MEDEDELING
Waarom Traditie vzw?
Alvorens onze zuur verdiende (euro)centjes te investeren in een vereniging of groepering, weten we natuurlijk graag:
a) wat er met die centjes gebeurt b) van welke voordelen men kan genieten c) welke ideologische koers de vereniging vaart
Op deze vragen willen we in kort bestek opnieuw klare wijn schenken. Kwestie van de puntjes op de i te zetten. Het zal de aandachtige toeschouwer vast niet ontgaan zijn: het uitzicht van Traditie vzw is op een paar jaar tijd ingrijpend veranderd. Het oude profiel maakte plaats voor een nieuwe verschijning, zoals de vlinder zich uit de cocon ontpopt. Het gros van de oudere leden herinnert zich onze vereniging nog als een theoretisch bolwerk. Steengoede vormingsavonden gekoppeld aan doorlopend diepgravend onderzoek dat uitmondde in een gerespecteerd tijdschrift. Wie lid werd van Traditie kreeg daarvoor vier nummers van de gelijknamige publicatie in de plaats. Sedert vorig jaar was dat niet langer het geval en sommige (niet-actieve) leden vroegen zich af waarin dan het voordeel school van een lidmaatschap.
Om hierop afdoende te kunnen antwoorden, moeten we goed beseffen dat de vraag binnen Traditie vzw naar beleving en praktijk enorm gegroeid was. Onze vereniging telt heden ten dage nogal wat jonge gezinnen met kinderen; gezinnen die op concrete en zinvolle wijze willen omgaan met het erfgoed van deze streken. Dat is een hoopgevende en tegelijk essentiële vaststelling. We praten immers over levend erfgoed. Het kernbestuur van Traditie vzw pikte deze signalen graag op en ging er mee aan de slag. Er werd besloten om de lidgelden niet langer te investeren in het vertrouwde tijdschrift (dat helaas verlieslatend bleek), maar in het organiseren van gratis gezins- of sibbefeesten voor de leden.
Concreet houdt dat in dat met de lid- en sponsorgelden van Traditie vzw:
-
twee jaarfeesten worden georganiseerd (een Oosterfeest en een variabel feest) waaraan de ganse sibbe GRATIS kan deelnemen. Dit initiatief houdt in dat gezinnen niet diep in de geldbuidel hoeven te tasten om samen te vieren met gelijkgestemden.
-
vier vormingsavonden worden georganiseerd (boeken van externe sprekers) waaraan de leden (en hun gezin) GRATIS kunnen deelnemen.
-
men een e-nieuwsbrief ontvangt met relevante studieartikels.
-
men deel kan uitmaken van het Traditiezangkoor Lorelei
-
GRATIS de reizende vertelgroep De Witte Wieven kunnen uitnodigen bij hen thuis (enkel verplaatsingsvergoeding)
Ideologisch blijft Traditie vzw wat ze de voorbije jaren is geweest: een vrij toegankelijke vereniging van heidens geïnspireerde vrijdenkers met een traditionalistische kijk op ons erfgoed, een ongedwongen karakter en een oprechte levenshouding in tolerantie tegenover andersdenkenden voor zover onze zienswijze eveneens gerespecteerd wordt.
Indien je je lid maakt of je lidmaatschap verlengt, draag je bij tot de verdere uitbouw en gedeeltelijke re-integratie van het erfgoed van deze contreien in het maatschappelijk beeld.
Lid wordt of blijf je door het storten van 20€ met de vermelding "lidmaatschap" op het volgende bankrekeningnummer:
BE98 8002 2522 5893
IBAN: AXABBE22
We danken je daarom alvast voor je volgehouden steun en toewijding!
ACTIVITEITEN
VORMINGSAVOND: DE RUNEN Datum: 19 februari 2010 Tijdstip: 20u Adres: De Oude Komeet, Fl. Van Cauwenberghstraat 16-18, 2500 Lier Inkom: gratis voor Traditie-gezinnen - €3 voor niet-leden
Omschrijving:
Onlangs verscheen er een opgemerkte publicatie van Johan Nowé bij het Davidsfonds: 'De Vikingen achterna; wat de runen ons vertellen'.
De auteur (°1940) is emeritus hoogleraar aan de K.U.Leuven. Hij doceerde Duitse letterkunde doceerde en was verantwoordelijk voor de lerarenopleiding Duits. Zijn wetenschappelijk onderzoek concentreerde zich voornamelijk op de oudere Duitse literatuur, met name het middeleeuws drama. Recent deed hij heel wat onderzoek naar het runenschrift en de runenstenen in Scandinavië, waarvan bovenvermeld werk het resultaat werd.
Redenen genoeg dus voor Traditie vzw om de prof. uit te nodigen voor een vormingsavond rond dit thema.
Hoe zit het nu feitelijk met dat runenschrift? Wat leren de runen ons over de vikings? Vanavond komt u het aan de hand van een duidelijke powerpoint causerie ongetwijfeld allemaal te weten!
Mis deze kans dus niet..
OSATARAVIERING Datum: 05/04/2010
Noteer deze datum alvast in je agenda
Stuur dit E-magazine door naar een vriend |
|
Werkgroep Traditie Vzw Ásatru in de lage landen
|
|
|